Omstreeks 1732 werden op New Foundland, in Canada, grote, 'beerachtige' honden aangetroffen, met wat voor een hond uniek is, zwemvliezen tussen zijn tenen. Zij hielpen vissers met het aan wal brengen van netten en werden gebruikt als slede hond voor voornamelijk vracht.

De Newfoundlander als slede hond.

Later werd de Newfoundlander ook als scheepshond gebruikt om drenkelingen te redden. Newfoundlanders voelen zich uitermate op hun gemak in het water, dit geldt echter niet voor alle Newfoundlanders, sommige newfy's zwemmen beslist niet. 

De Newfoundlander met een drenkeling.

Allerlei voorouders worden hem toegedicht, zoals de Portugese Waterhond, Tibetaanse Mastiff,  Pyreneese Berghond, Duitse Dog en inheemse honden van vóór Columbus, zoals de vissershond, de St John's Dog. Mogelijk heeft hij iets van allen. 

Als kustbewoners werkten deze honden zowel te land als te water. De dichte, dubbele, dikke vacht beschermt deze vriendelijke reus tegen invloeden van ijskoud water. Ook wordt de Noorse beerachtige hond "Öolum", (dit zou de metgezel van Leif Ericsson een Viking en ontdekkingsreiziger die van 975 tot 1020 leefde geweest zijn) genoemd als mogelijke voorvader. 
De Landseer is een variëteit van de Newfoundlander, maar in 1960 werd de Landseer ECT als apart ras erkend. Er zijn meerdere theorieen maar 1 ding is zeker en dat is dat dit ras is ontstaan zonder dat er mensen handen aan te pas zijn gekomen.
Vaak wordt de Newfoundlander door zijn karakter en voorkomen wel de gentleman onder de honden genoemd.